Verrijkingsklassen
Dini van den Heuvel
In Signaal nr. 4 staat een door mij geschreven artikel over verrijkingsklassen.
Dit als bijdrage aan een discussie die in Signaal
nr. 2 van start is gegaan. Jammer dat er zo weinig gereageerd is.
Van
de ene kant kan ik dat wel begrijpen. De laatste tijd wordt er op
allerlei manieren hard gewerkt om hoogbegaafde kinderen in het
reguliere onderwijs op te kunnen vangen. De projecten in Gouda,
Utrecht, en Nijmegen zijn hier voorbeelden van.
Aan de andere kant denk ik dat er naast differentiatie in het
reguliere onderwijs meer moet gebeuren. Hoogbegaafde kinderen
moeten bij elkaar kunnen komen. Dit om gelijken te ontmoeten. De
groep hoogbegaafden is niet zo groot, dat dat binnen een school te
verwezenlijken is. Ook hoogbegaafden moeten de kans krijgen om te
leren hoe met elkaar om te gaan.
Waarom is het met elkaar omgaan van hoogbegaafde kinderen
belangrijk?
Dat kan men zich afvragen. Alle kinderen leren toch spelenderwijs
met elkaar omgaan op school. Waarom dan iets anders voor
hoogbegaafden?
Daar zijn verschillende redenen voor. Eén ervan is dat
het nogal eens voorkomt dat de capaciteiten van de hoogbegaafden
onvoldoende zijn geïntegreerd met de benodigde sociale vaardigheden.
Zie bijvoorbeeld het artikel "Mensa, een impressie" in Signaal nr. 6.
Volgens de schrijver kan men grof generaliserend stellen dat veel
Mensa-leden behoren tot de categorie "hoogbegaafden die wegens hun
capaciteiten moeilijkheden ondervinden in de samenleving" (gedeelte
uit de doelstelling van de Dr. Binetstichting) in plaats van dat zij met
hun capaciteiten een plaats vinden en hebben in de samenleving.
Nu kan men stellen dat hoogbegaafden meer individualistisch zijn dan anderen, maar is dit wel de oorzaak? Of hebben zij niet de kans gekregen spelenderwijs met anderen te leren omgaan ? Volgens mij komt dit laatste ook voor.
Hoe leert een individu eigenlijk omgaan met anderen ?
Toch in de praktijk van het dagelijkse leven door als kind om te gaan met andere kinderen en zo de eigen mogelijkheden en onmogelijkheden te leren kennen. Maar dan is het wel noodzakelijk dat de kinderen elkaar als gelijken beschouwen. En hier schort het nogal eens aan bij de hoogbegaafde kinderen.
Zij ervaren meestal al op zeer jeugdige leeftijd (bijvoorbeeld 6-7) jaar dat men hen anders vindt. Zij kennen en kunnen allerlei dingen al die anderen nog moeten leren. Daardoor worden zij niet begrepen en soms zelfs uit de groep gestoten. Het hangt er dan maar vanaf hoe het hoogbegaafde kind gaat reageren. De een vecht terug, letterlijk of met zijn mond, de ander trekt zich terug en doet veel alleen, en weer een ander past zich aan en gaat onderpresteren.
Er is weinig fantasie voor nodig om op deze manier het hoogbegaafde kind op te zien groeien tot de volwassenen die straks door zijn capaciteiten allerlei moeilijkheden ondervindt in de samenleving.
Wat hieraan te doen ?
De staatsecretaris van Onderwijs schrijft in haar conceptbeleidsnotitie (Signaal nr.5 blz. 19 punt 4.1) dat verrijkingsklassen het hoogbegaafde kind in een ongewenste sociale uitzonderingspositie brengen.
Ik vraag me af of dit wel zo is. Volgens mij moet het hoogbegaafde kind de kans krijgen, net als andere kinderen, zich te oefenen in sociaal gedrag. Juist in een omgeving waar hoogbegaafdheid geen uitzonderingspositie betekent, dus met andere hoogbegaafde kinderen samen.
Tot zover mijn hernieuwd pleidooi voor verrijkingsklassen, die volgens mij geen overbodige luxe zijn voor hoogbegaafden naast het regulier onderwijs. Ook de samenleving heeft toch meer aan capaciteiten van hoogbegaafden die op de een of andere manier waar gemaakt kunnen worden ten dienste van die samenleving.
december 1988
Dini van den Heuvel